Eindwerk: Capetingische en Normandische erfopvolgingen
Eindwerk van de week: Examenopdracht geschiedenis van de middeleeuwen
Europe in the High Middle Ages, Francia/France.
Capetingische en Normandische erfopvolgingen in de elfde en twaalfde eeuw
In 987 werd Hugo Capet tot koning van Frankrijk verkozen. Hij was de stichter van de Capetingische dynastie. De macht van deze vroeg-Franse koningen was eerder beperkt; zij bezaten een gering kroondomein en moesten het hoofd bieden aan een reeks machtige vazallen. Dankzij een geduldig beleid en de uitbouw van een koninklijke ideologie versterkte de positie van het Franse koningshuis gestaag vanaf het begin van de elfde eeuw. Daarnaast werkte ook de associatie van de dauphin bij de regering, volgens mediëvist Jordan, als politiek stabiliserend. In zijn boek Europe in the High Middle Ages vermeld hij terloops dat in Normandië, leen van de Franse koning, een erg vergelijkbare opvolgingsmethode werd beoefend. De techniek zou volgens hem een preventieve maatregel geweest zijn tegen betwiste erfopvolgingen. Met deze gedachte nog vers in het achterhoofd, verhaalt de historicus nochtans enkele paragrafen verder over een opvolgingskwestie in Normandië.
Deze literatuurstudie heeft tot doel Jordans schijnbare contradictie te verhelderen aan de hand van bevindingen van andere mediëvisten. Drie aspecten worden onder de loep genomen. Was de Normandische opvolging überhaupt wel gelijkaardig aan deze van de Capetingers? Welke problemen bemoeilijkten de successies en waren deze moeilijkheden zowel bij de Capetingers als bij de Normandiërs aanwezig? En in welke mate zorgde de anticiperende opvolgingstechniek werkelijk voor een politiek stabiel klimaat? Het Normandische voorbeeld wijst immers niet in die richting.
Het eerst aangewende artikel voor deze literatuurstudie is van de hand van historica Jane Martindale. Zij focust op het verband tussen aristocratische overervingstechnieken en de politiek-sociale orde in het Frankrijk van de elfde en twaalfde eeuw. Haar collega Lewis legt een andere klemtoon: de techniek van anticiperende overerving werd doorgaans niet toegepast omwille van een zwakke en betwiste erfelijkheid in de koninklijke en hertogelijke dynastieën, maar wel om tal van andere redenen. De laatst aangehaalde mediëvist, Le Patourel, behandelt voornamelijk het eerstgeborenenrecht en brengt dit in verband met de gewenste ondeelbaarheid van het familiebezit. De hoofdmoot gaat telkens naar de Capetingers en Normandiërs.
In het Capetingische Frankrijk werd de oudste koningszoon steeds geassocieerd met het koninklijk beleid. De dauphin werd tweemaal gekroond: tijdens zijn vaders regering en na diens dood. Deze traditie startte al tijdens de regering van Hugo Capet en hield succesvol stand tot in 1180. In die tijd passeerden zeven generaties de revue. Normandië, dat in 911 in leen was gegeven aan de Noorman Rollo, kende de eerste vijf generaties ook een machtsoverdracht van vader op zoon. In 1027 volgde Robert II echter zijn oudere broer op die hij volgens de geruchten zelf vermoord had. Roberts buitenechtelijke zoon, Willem de Veroveraar, kwam pas na een betwiste erfopvolging aan de macht. Het is deze opvolgingskwestie die Jordan in zijn boek verhaald. In 1066 onderwierp Willem Engeland. Na diens dood werd de Anglo-Normandische erfenis tot in 1154 voortdurend betwist door nazaten. Deze opvolgingsproblemen waren qua omvang veel groter dan de opvolgingskwestie van Robert II en zijn zoon Willem, maar worden door Jordan niet vermeld. Ondanks de successiecrisissen probeerden ook na Willem de Veroveraar de Engels-Normandische vorsten meermaals de macht over te dragen aan hun zonen, zij het dan wel op een iets andere wijze. Jordan heeft het dus bij het rechte eind wanneer hij vermeldt dat ook de Normandische vorsten hun macht, op enkele uitzonderingen na, trachtten door te geven aan één van hun zonen.
Maar in tegenstelling tot wat de historicus doet uitschijnen, waren er ook enkele belangrijke verschillen tussen de Anglo-Normandische en de Capetingische overervingen, zowel in de uitwerking ervan als in de bekoorde resultaten. De Normandiërs kenden volgens Le Pouterel geen eerstgeborenenrecht, maar wendden oudere overervingstechnieken aan die doorgaans op hetzelfde neerkwamen. Ook Martindale volgt deze redenering gedeeltelijk. De successie zelf verliep via een ander stramien dan bij de Capetingers. De regerende hertog duidde één van zijn zonen als opvolger aan. Zijn andere zonen en de Normandische magnaten verplichtte hij ertoe hommage te brengen aan de toekomstige hertog. Volgens Lewis werd deze opvolger slechts in uitzonderlijke gevallen betrokken bij de regering van zijn vader.
Ook het succes van de Normandische opvolgingen stond in schril contrast met dat van de Capetingers. Daarvoor zijn verschillende oorzaken aan te dragen. Een eerste zijn de gefnuikte ambities van de zonen die niet tot opvolger van hun vader verkozen werden. Robert II was op deze regel dus geenszins een uitzondering. Ook waren niet altijd mannelijke opvolgingskandidaten voorhanden op het ogenblik van de eigenlijke successie. De overervingen van of via afstammeling van een vrouw vormden meermaals een excuus voor een ander familielid om naar de macht te grijpen. Ook de uitzonderlijke situatie waarbij Willem de Veroveraar zijn gebied niet overdroeg aan één enkele zoon, maar het onder twee van hen verdeelde, riep allerhande moeilijkheden en twisten op. Na de dood van zijn twee oudere broers herenigde Willems jongste zoon het Anglo-Normandische rijk al terug. Le Pouterel is van mening dat het zelfs nooit de intentie van Willem de Veroveraar geweest is het Anglo-Normandische rijk op te delen. Volgens Martindale speelde ook het feit dat een deel van het grondgebied veroverd na 1066 overzees lag de Normandiërs parten. Daarnaast tergden ook andere en niet te voorziene tegenslagen de erfopvolgingen.
Dat de Capetingische opvolging dan wel zo succesvol verliep, is volgens Martindale enerzijds aan de koninklijke mogelijkheden en anderzijds aan een flinke portie geluk te wijten. Ook Le Patourel en Lewis brengen enkel argumenten aan die deze theorie ondersteunen. Zo waren er in de Capetingische dynastie telkens mannelijke opvolgers voorhanden. Bovendien is er ook nooit enige oppositie geweest tegen de vorming van de Capetingische dynastie zelf. Meer nog, ze werd zelfs ondersteund vanuit de aristocratische milieus die nochtans het koningschap voor de komst van de Capetingers steeds vurig betwistten. De ambities van de resterende koningszonen konden succesvol geventileerd worden door hen uit te huwelijken, hen een apanage toe te kennen of door hen te steunen een grondgebied in het Heilig Land of elders te veroveren.
In Normandië bracht de eventuele toepassing van anticiperende overerving dus geen politieke stabiliteit teweeg. Successies werden meermaals betwist nadat de hertog overleden was. In het Capetingische huis vormde de associatie van de koninklijke opvolger met de regering van zijn vader volgens Jordan wel een belangrijke preventieve maatregel tegen betwiste overervingen. Martindale roept vragen over deze stelling op maar bevestigt noch ontkent haar. Lewis trekt er echter duchtig tegen van leer. Volgens hem klopt deze overervingstheorie alleen voor de successie van Hugo Capet door diens oudste zoon. Tal van historici hebben dit voorbeeld daarna verkeerdelijk gegeneraliseerd naar alle Capetingische overervingen van voor 1180. Elke geanticipeerde successie had volgens Lewis zijn eigen specifieke doeleinden en diende doorgaans niet om de erfopvolging te verzekeren. Wel is hij het er mee eens dat de dauphins op deze wijze beter klaargestoomd werden voor de opvolging en dat zij dus gemakkelijker konden verder bouwen op wat hun vaders al verwezenlijkt hadden.
Lewis’ goed beargumenteerde stelling lijkt mij ook het meest plausibel. Jordan onderbouwt zijn theorie echter niet in zijn boek en heeft ook geen kritisch notenapparaat, waardoor zijn redenering natuurlijk niet gekend is. De hoger aangehaalde contradictie in zijn werk hoeft niet noodzakelijk ook echt daar te zijn, maar wordt door Jordans beknopte, selectieve en qua tijd onsamenhangende benadering van dit onderwerp in de hand gewerkt. Indien hij alles in een meer geduid kader zou plaatsen en zijn bewoordingen beter zou wikken, wordt de contradictie waarschijnlijk al opgeheven. Daarnaast zou Jordan ook beter voor andere voorbeelden opteren. De door hem aangehaalde problemen in verband met de successie van Robert II en zijn zoon valt haast in het niets met de daarna volgende opvolgingskwesties in Normandië. Ook zijn er hertogdommen te vinden die een beter voorbeeld zouden zijn dan Normandië om de Capetingische dynastie mee te vergelijken.
Ondanks alles beaamt dit onderzoek Jordans stelling wel dat de Normandische hertogen, net zoals de Capetingers, meermaals probeerden hun macht aan hun zonen door te geven. Toch waren er enkele belangrijke verschillen in het toepassen van anticiperende overerving, voornamelijk op het vlak van het eerstgeborenenrecht en het stramien van de opvolgingen zelf. Ook de resultaten bij Capetingers en Normandiërs waren uiteenlopend. Dat deze opvolgingstechniek steeds diende om twisten bij erfopvolging te voorkomen, is weinig waarschijnlijk. Maar ondanks het feit dat er al veel aandacht besteed is aan de koninklijke en hertogelijke opvolgingen in het Frankrijk van de elfde en twaalfde eeuw, is het verstandig om de oproep van Martindale te volgen en nog meer onderzoek te verrichten omtrent dit thema en de clichés te bekrachtigen of te doorbreken.
Bibliografie
AVONDS, P., Inleiding tot de geschiedenis van de Middeleeuwen, Antwerpen, Universiteit Antwerpen, 2006.
JORDAN, William Chester, Europe in the High Middle Ages, Londen, Penguin Group, 2004.
LEWIS, Andrew W., “Anticipatory Association of the Heir in Early Capetian France”, The American Historical Review, 83/4, 1978, 906-927.
MARTINDALE, Jane, “Succession and Politics in the Romance-speaking World, c. 1000-1140”, in: England and her Neighbours, 1066-1453: Essays in honour of Pierre Chaplais, Londen, Hambledon, 1989, 19-41.
PATOUREL, John Le, “The Norman Succession, 996-1135”, The English Historical Review, 86, 1971, 225-250.

